KLIK HIER VOOR INFORMATIE
OVER DE SITE

RUNDVEE-INSEMINATIE

EN VRUCHTBAARHEIDSPROBLEMEN BIJ KOEIEN

CLICK HERE FOR
THE PARENT SITE
and SITE SEARCH


Een kween is een interseksueel dier met een afwijkend geslachtsapparaat.

Als inseminator is men gewoon om, na penetratie van het rectum van het dier, meteen eerst de uterus te palperen. Maar als die uterus vervolgens niet aanwezig blijkt te zijn en er ook geen normaal aangelegde ovaria in de pink aanwezig blijken te zijn, zoals soms het geval is, is dat een ervaring die enigszins onwerkelijk overkomt. Want de veehouder biedt een dier voor inseminatie aan als hij tochtigheid bij dat dier heeft waargenomen. Maar een dier zonder normaal aangelegde ovaria is infertiel. En ze kan als gevolg van deze extrofie ook echt niet tochtig zijn geworden. Dat is niet mogelijk! Wat is er dan aan de hand. Als inseminator zal men dan allereerst aan zijn eigen waarneming gaan twijfelen. Het kan zijn dat men zich in een dergelijk geval vergist. Maar zo niet, hoe kan de veehouder dan toch gemeend hebben om die pink voor inseminatie te moeten aanbieden?

Soms wordt een bepaald dier door de veehouder maar steeds niet tochtig gezien. Vanzelfsprekend doet de veehouder dan nog meer zijn best om ook dat bepaalde dier tochtig te zien. En in die situatie kan door de veehouder dan soms de vergissing worden gemaakt dat hij een normale gedragsuiting van het dier voor een tochtigheidssignaal van het dier aanziet. Als die pink bijvoorbeeld een keer een ander dier blijkt te hebben besprongen, zou de veehouder dat als een tochtigheidssignaal kunnen hebben geïnterpreteerd. "De wens is dan dus de vader der gedachte geweest".

Maar het kan ook zijn dat de veehouder een aantal dieren, waarbij hij maar steeds geen tochtigheidsverschijnselen heeft waargenomen, uit goede overwegingen heeft aangeboden voor veterinaire behandeling. Een veterinair zal een enkel dier wat de veehouder niet tochtig blijkt te hebben gezien, inwendig gaan onderzoeken. Maar als dit probleem zich bij een groep dieren van de zelfde veehouder tegelijkertijd blijkt voor te doen, zal die veterinair vanzelfsprekend anders kunnen gaan handelen. In een dergelijk geval zal hij eerder geneigd zijn om al die dieren zondermeer met een bronstopwekkend hormoon te behandelen. Dus zonder ze eerst individueel te gaan onderzoeken. Als er dan toevalligerwijze een interseksueel dier in die groep aanwezig is, dan zal de veehouder dat dier op aanraden van die veterinair na enkele dagen geheel ter goeder trouw voor inseminatie gaan aanbieden. Als inseminator krijgt men aldus wel eens een dier ter inseminatie aangeboden waarbij in het geheel geen sprake van tochtigheid kan zijn geweest.

Als men bij koeien een interseksueel dier aantreft, spreekt men doorgaans niet van een intersekse (of intersexe), maar van een kween (of kwee). Ook spreekt men wel van een hermafrodiet, maar dat is in wezen een hyperoniem van het woord kween. Deze zelfde afwijking staat in veterinaire kring ook wel bekend met de ietwat merkwaardige naam "freemartin". Als inseminator komen wij deze afwijking relatief weinig tegen, hoewel er toch redelijk veel koekalveren met deze afwijking worden geboren. Dit komt omdat de veehouders eigenlijk allemaal wel weten dat zij beter geen koekalveren voor de opfok aan kunnen houden van meerlingen waarbij de individuele kalveren niet van een en hetzelfde geslacht zijn. In meer dan 90% van de gevallen, zijn de koekalveren van dit soort meerlingen behept met de hierboven genoemde afwijking.

Kwenen zijn uitwendig moeilijk als zodanig te herkennen. Soms zal men kunnen vermoeden met een dergelijk dier van doen te hebben als het een dier betreft met een abnormaal kleine vulva, of met een abnormaal grote clitoris, ofwel met abnormaal lange haren op het onderste gedeelte van de vulva. Maar als men hier als inseminator niet door de betreffende veehouder op wordt gewezen, zal men dit in het korte tijdbestek voorafgaande aan de eigenlijke inseminatie waarin men dit zou moeten opmerken, vaak niet opvallen. Pas wanneer men via het rectum de uterus wil gaan palperen, blijkt een dergelijk dier helemaal geen uterus te hebben. Wel kan het zijn dat men op de plaats waar men de uterus zou moeten aantreffen een aantal merkwaardige strengen aantreft. En zal men gaan beseffen dat het een dier met de afwijking "kwee" betreft. Soms is er zelfs geen vagina bij het dier aanwezig, en is deze wel aanwezig dan eindigt die vaak "blind". In de vagina zal men bij penetratie tegen een afsluiting aanstuiten. Bij inwendige inspectie met een speculum ziet men de vagina dan niet alleen duidelijk "blind" eindigen, maar het kan dan tevens opvallen dat de vagina van binnen abnormaal nauw is.

Deze afwijking wordt veroorzaakt door het vergroeien van de vruchtvliezen en de daarin aanwezige bloedvaten van de ene jonge vrucht met die van de andere. De geslachtshormonen in het bloed van een eventueel aanwezige mannelijke vrucht kunnen dan de normale ontwikkeling van een eventueel aanwezige vrouwelijke vrucht verstoren. Bij pinken met deze afwijking zijn ook de eierstokken niet normaal aangelegd en de afscheiding van tochtigheidshormoon blijft daardoor uit. Het zijn dan ook onvruchtbare pinken. Bij koeien van een hogere pariteit dan pinken, komt men deze afwijking niet tegen. Zij hebben hun vruchtbaarheid immers al reeds bewezen.


Wilt u meer informatie over rundvee-inseminatie en de vruchtbaarheidsproblematiek? Klik dan HIER voor het openen van de site www.ybema.org