KLIK HIER VOOR INFORMATIE
OVER DE SITE

RUNDVEE-INSEMINATIE

EN VRUCHTBAARHEIDSPROBLEMEN BIJ KOEIEN

CLICK HERE FOR
THE PARENT SITE
and SITE SEARCH


De verhouding tussen de geslachten bij de pas geboren kalveren.

In grote tegenstelling tot bijvoorbeeld bij reptielen en vissen wordt het geslacht van het kalf reeds bij de conceptie bepaald en dus niet pas bij de embryogenese. Er is, bij de beschouwing van grote aantallen, sprake van een merkwaardig evenredige verhouding tussen de pas geboren stierkalveren en de pas geboren koekalveren van 105:100.

Als er 105 stierkalveren worden geboren, worden er dus gemiddeld 100 koekalveren geboren. Deze verhouding noemt men de geslachtsverhouding of sekse-ratio (in het Engels: sex ratio). Deze verhouding van 105:100 wordt afgerond geschreven als 1,05:1 (of kortweg: 1,05). Een gekonstateerde geslachtsverhouding van 1,05 betekent dus dat er 105 stierkalfjes werden geboren tegen 100 koekalfjes. En als er in een bepaalde situatie sprake is van een geslachtsverhouding van 0,97 betekent dat vanzelfsprekend dat er in dat specifieke geval 97 stierkalfjes zijn geboren op een honderdtal koekalfjes. De sekse ratio wordt ook wel uitgedrukt als het percentage stierkalfjes, wat in een bepaalde situatie werd geboren, ten opzichte van het totale aantal kalveren wat in die situatie werd geboren. Als er in die situatie gemiddeld 106 stierkalveren werden geboren, tegen 100 koekalveren, is het percentage stierkalveren 106 : 2,06 = 51,456 %. De fractie stierkalveren is dan dus bij benadering 51,5 %.

Wat de sekse ratio betreft wordt er in de zoölogie overigens onderscheid gemaakt tussen de primaire en de secundaire sekse ratio. Met de aanduiding "primaire sekse ratio" bedoelt men dan de geslachtsverhouding tussen het aantal bevruchte eicellen die tot een stierkalfje leiden, ten opzichte van het aantal bevruchte eicellen die tot een koekalfje leiden. En met de aanduiding "secundaire sekse ratio" bedoelt men dan de geslachtsverhouding tussen het aantal pas geboren stierkalfjes ten opzichte van het aantal pas geboren koekalfjes. Als men over de "sekse ratio" spreekt, moet het dus wel volstrekt duidelijk zijn welke van de beide verschillende sekse ratios men bedoelt.

Het is overigens volkomen evident dat de primaire sekse-ratio flink hoger moet zijn dan de secundaire sekse-ratio. Want de morbiditeit evenals de mortaliteit van mannelijke foetussen is zonder twijfel hoger dan die van de vrouwelijke foetussen. Bovendien sterven er meer stierkalveren dan koekalveren bij het afkalven, hetgeen voor een belangrijk deel te maken heeft met het feit dat stierkalveren relatief zwaar zijn bij de geboorte. Het is daarom niet zo vreemd dat de gedachte bij de veehouders opkwam dat het mogelijk zou moeten zijn om door artificieel ingrijpen de geslachtsverhouding voorafgaand aan de geboorte van de kalveren te kunnen beïnvloeden.

Veehouders hebben er economisch belang bij dat er van hun beste koeien, in het algemeen koekalveren worden geboren. Door van gesekst sperma gebruik te maken, kunnen veehouders daar tegenwoordig al reeds enige invloed op uitoefenen. Maar gesekst sperma is nog niet van alle fokstieren beschikbaar en bovendien heeft gebruikmaking van gesekst sperma zo zijn nadelen. Het bevruchtend vermogen van dergelijk bewerkt sperma ligt bijvoorbeeld duidelijk lager dan het sperma wat daartoe niet is bewerkt. Verder zijn de kosten van gesekst sperma ook veel hoger dan het sperma wat die behandeling niet heeft ondergaan. En de effectiviteit wat betreft het percentage gewenst geslacht (en daar gaat het toch om!) is ook beslist nog geen 100 %. Daarom is het niet zo vreemd dat veehouders naar andere manieren zijn gaan zoeken om de sekse-ratio van de kalveren te beïnvloeden.

De eerste mogelijkheid waaraan men wat dat betreft wel denkt, is het vervroegen van het tijdstip van insemineren. Uit de ervaringen van sommige veehouders zou namelijk zijn gebleken, dat het percentage stierkalveren wat men vangt, te groot is wanneer men de gewoonte is gaan aannemen om de koeien pas in de natocht te gaan (laten) insemineren. Omdat dit indruist tegen de wens van veel veehouders om juist relatief veel koekalveren te vangen, zou dit dan ook een onwenselijke wijze van werken zijn. Het tweede ervaringsfeit waaraan men wat dat betreft wel denkt, is het vermeende feit dat er van te vette koeien relatief veel stierkalveren zouden worden geboren. Dit ervaringsfeit komt bij lacterende koeien niet gauw naar voren, omdat deze meestal niet te vet zijn op het moment dat zij na afkalven weer opnieuw moeten worden geïnsemineerd. Maar bij de jonge koeien, die nog niet eerder drachtig zijn geweest, kan deze situatie zich wel voordoen. Vaarzen die te vet zijn op een leeftijd dat zij moeten worden geïnsemineerd, zouden dus minder vaak van een koekalf afkalven. Buiten het feit dat de bevruchting van dergelijke vaarzen ook meer problemen oplevert, zou ook dit feit dus een reden moeten zijn om te trachten te voorkómen dat de jonge vaarzen ál te vet worden. Bij koeien die te mager zijn zou men meer kans maken om koekalveren te vangen, als men ze tenminste drachtig weet te krijgen, maar ook die situatie is niet zo wenselijk. Het derde ervaringsfeit waaraan men wel denkt bij het streven om het percentage koekalveren wat men vangt te verhogen, is het veronderstelde gegeven dat men van koeien die bevrucht zijn met sperma van relatief oude stieren, meer koekalveren vangt dan van koeien die bevrucht zijn met sperma van jonge stieren. Als dat gegeven klopt, zou men in feite van de fokstieren relatief meer koekalveren moeten vangen, dan van de proefstieren.

Deze voornoemde drie ervaringsfeiten ter beïnvloeding van het geslacht van de kalveren, zouden eigenlijk in een wetenschappelijk onderzoek moeten worden aangetoond, voordat men als veehouder zijn bedrijfsbeleid daar op zou gaan aanpassen. Alleen wanneer deze theses wetenschappelijk significant kunnen worden aangetoond, kan men als veehouder voldoende zeker zijn dat men, door rekening te houden met deze gegevens, ook werkelijk invloed kan uitoefenen op het geslacht van de kalveren die op zijn bedrijf worden geboren. Maar voor de dagelijkse praktijk van een veehouder is het niet erg nodig om daar uitsluitsel over te krijgen. Want ten eerste is het voor een veehouder sowieso niet verstandig om tot de natocht te wachten met het (laten) insemineren van de koeien op zijn bedrijf. En ten tweede is het sowieso niet verstandig om de (jonge) koeien de kans te geven om te vet te worden (in verband met het voorkómen van bevruchtings- en lactatieproblemen. En ten derde is het reeds usance om bij de bevruchting van de beste melkkoeien juist gebruik te maken van sperma van de oudere stieren. Van de stieren namelijk die via het zogenaamde proef-, wacht- en fokstierenprogramma als de bestfokkende stieren naar voren zijn gekomen. Als het gegeven inderdaad juist is, dat er van sperma van oudere stieren relatief veel koekalveren geboren worden, is dat een gelukkige situatie, omdat men juist van fokstieren het liefst koekalveren aanhoudt.

Wat betreft de secundaire sekse ratio, die ook wel de "de sex ratio at birth" wordt genoemd, zou het echter binnen de zoölogie wel interessant kunnen zijn om te weten te komen in hoeverre het inseminatietijdstip van invloed kan zijn op het geslacht van de pas geboren kalveren. De volgende vraag is met name interessant: "in hoeverre is de gewoonte, om pas tijdens de natocht de koeien te laten insemineren, van invloed op het geslacht van de kalveren?" Als men daar in een proefopzet een antwoord op wil zien te krijgen, loopt men ondermeer wel tegen het probleem aan dat men niet exact kan weten wanneer de natocht begint, noch wanneer deze eindigt. Ook is niet zo gemakkelijk het exacte moment van ovulatie vast te stellen. Maar er is wel een proefopzet mogelijk waarbij de uitgangspunten van de proef betrouwbaar genoeg zullen zijn om er toch mee door te kunnen gaan.

Als een koe echt tochtig is, kan men met een vaginoscoop in haar vagina immers een flinke plas cervixslijm waarnemen (voorzover dit er niet reeds, bij het bespringen van de andere koeien, spontaan is uitgelopen). Door het moment als basis te nemen waarop men dit onmiskenbaar voor het eerst in de tochtigheidscyclus van de betreffende koe waarneemt en door de koe vervolgens exact 24 uur later te gaan insemineren, weet men gemiddeld gesproken vrij zeker dat die inseminatie tijdens de natocht zal plaatsvinden. Als men dit in de proefopzet bij een relatief groot aantal koeien op dezelfde wijze uitvoert, zou men een wetenschappelijk betrouwbare uitspraak kunnen doen over de invloed hiervan op de sekse-ratio. Tenminste voorzover daar een significant resultaat uit naar voren zou komen.

In het voorgaande is steeds sprake geweest van de geslachtsverhouding tussen de kalveren van meerdere koeien. Maar men kan ook gaan redeneren over de geslachtsverhouding tussen de kalveren per individuele koe. Dat wil zeggen de geslachtsverhouding tussen de verschillende kalveren waarvan die individuele koe in de loop van de jaren heeft afgekalfd en/of nog zal gaan afkalven. In de praktijk blijkt men hierover namelijk vrij frequent een foutieve gedachtegang te volgen. Als men als veehouder bijvoorbeeld meerdere jaren achtereen van een bepaalde favoriete koe een stierkalf heeft gevangen, meent men in die gedachtegang dat er dan vervolgens een verhoogde kans zal zijn dat men het jaar daarop, in plaats van een stierkalf, een koekalf van die koe zal gaan vangen. En vanwege die veronderstelde hogere kans op het vangen van een koekalf, laat men die betreffende koe voorafgaand aan die afkalving dan vervolgens insemineren met duur en/of schaars sperma. Want, zo is de redenering, hoe vaker men een kalf van een koe vangt, hoe groter de kans is dat er op zeker moment sprake zal zijn van een evenwicht tussen het aantal stierkalveren en het aantal koekalveren dat men van die bepaalde koe vangt.

Die redenering is namelijk in zoverre foutief, dat ze slechts op gaat bij een beschouwing over het geslacht van de kalveren van een groter aantal koeien. Want iedere keer als een individuele koe weer opnieuw gaat afkalven, zal normaal gesproken de kans dat zij van een stierkalf dan wel van een koekalf zal gaan afkalven, opnieuw weer onderhevig zijn aan de invloed van de normale sekse ratio bij koeien van 1,05 : 1. Er zijn bij de bevruchting normaal gesproken geen factoren aanwezig die, uitgaande van het geslacht van de vorige vruchten, invloed uitoefenen op het geslacht van de volgende vruchten. Behalve dan de zeldzame invloeden die te maken hebben met een genetisch defekt en de normale, verhoogde kans op gendeletie bij het Y-chromosoom, ten opzichte van die bij het X-chromosoom.


Wilt u meer informatie over rundvee-inseminatie en de vruchtbaarheidsproblematiek? Klik dan HIER voor het openen van de site www.ybema.org