KLIK HIER VOOR INFORMATIE
OVER DE SITE

RUNDVEE-INSEMINATIE

EN VRUCHTBAARHEIDSPROBLEMEN BIJ KOEIEN

CLICK HERE FOR
THE PARENT SITE
and SITE SEARCH


Het aftasten van de eierstokken.

Het stadium van de bronstcyclus waarin de koe zich op zeker moment bevindt, kan men door palpatie van de ovaria te weten komen. De noodzaak hiertoe kan zich om allerlei redenen voordoen. Voor een inseminator is het discrimineren tussen de echte tocht en de tussentocht echter wel de meest voorkomende reden om hiertoe over te gaan. Vrij regelmatig worden ons als inseminatoren koeien ter inseminatie aangeboden waarvan wij het vermoeden hebben dat ze mogelijk niet echt tochtig zijn. In zulke gevallen bevinden dergelijke koeien zich vrij vaak op het stadium van de tussentocht. Maar ook op andere merkwaardige tijdstippen tijdens de tochtigheidscyclus, vertoont een koe soms verschijnselen die aan tochtigheid doen denken. De follikels op de ovaria van de koe ontwikkelen zich in zogenaamde groeigolven van 6 tot 10 dagen (per cyclus treden dan 2 à 3 groeigolven op), om daarna weer in regressie te gaan. De vorm en de structuur van de follikels die tijdens een dergelijke groeigolf groeien, zijn gelijk aan de ovulatoire follikel die zich aan het einde bevindt van de folliculaire fase (de proliferatieve fase). Op de piek van die groeigolf kan een koe, door afwijkend gedrag te vertonen, tochtig lijken te zijn. In de luteale fase van de tochtigheidscyclus zal een eventuele inseminatie echter nooit tot bevruchting van de koe kunnen gaan leiden. Als er een herinseminatie voor een koe is aangevraagd op een moment waarbij de tussentijd tussen de inseminaties veel te kort, dan wel veel te lang is, kan de noodzaak tot het palperen van de ovaria zich ook voordoen. En als men als inseminator vermoedt dat er spake zou kunnen zijn van drachtigheid bij de te insemineren koe, kan het palperen van de ovaria ook van dienst komen voor het correct beoordelen van de situatie. Dit geldt bovendien voor gevallen waarin men bij de te insemineren koe een onregelmatigheid meent te constateren waaraan een afwijking aan de ovaria ten grondslag zou kunnen liggen.

De beide ovaria bevinden zich ongeveer ter hoogte van het corpus uteri aan de linker en aan de rechter kant van de uterus. De ovaria zijn met de lichaamswand verbonden via het mesovarium, dat weer onderdeel is van het ligamentum latum uteri. Voor een inseminator zal het doorgaans geen enkel probleem opleveren om de ovaria daar te vinden. Maar om ze goed te kunnen palperen zal men eerst de uterus moeten retraheren. En vervolgens zal men de cervix zodanig rechtop moeten zetten, dat de cornua uteri bovenop de cervix komen te liggen. Deze handeling staat bekend als het in retroflection brengen van de uterus. Het retraheren en in retroflection brengen van de uterus zijn handelingen die men zich visueel kan voorstellen, wanneer men in gedachten neemt wat men doet als men bij zichzelf met de punt van de tong het bovenste gedeelte van het verhemelte in de mond wil aanraken. Om dat te bereiken zal men eerst de tong moeten terugtrekken (retraheren) om vervolgens de tong achterwaarts, met de punt naar boven toe, om te buigen. Als men de cervix in het bekken van de koe eenmaal, op vergelijkbare wijze, verticaal omhoog heeft gezet, zal men zeer voorzichtig de uterus moeten zien op te lichten. Men pakt de uterus daartoe achter de bifurcatie van de cornua uteri beet (achter de aanhechtingsplaats van het septum), bij de uitwendige bindweefselband die zich tussen de cornua uteri in bevindt). Het ligamentum latum uteri komt dan enigszins los van de bekkenbodem te liggen. Afhankelijk van iemands lateraliteit, moet de retroflection verschillend worden uitgevoerd. Als men rechtshandig is, gaat men met de linkerhand langs de linkerkant van de linker cornu uteri en als men linkshandig is, gaat men met de rechterhand langs de rechterkant van de rechter cornu uteri. De hand moet men dan ter hoogte van het ovarium, over het ligamentum latum uteri haken. Vervolgens moet men met een draaiende handbeweging eerst de punt van de ene cornu uteri uit de krul duwen en vervolgens de andere. De ovaria komen dan mooi achteraan in het bekken van de koe te liggen, zodat men ze vervolgens gemakkelijk zal weten te palperen (uiteraard lukt dit alles het best bij een goed geïnvolueerde, lege uterus).

Om een betrouwbare conclusie over het stadium van de bronstcyclus van de koe te kunnen trekken, moet men beide ovaria gaan palperen. Maar voor de bronstcyclus waarin de koe zich op dat moment bevindt, is het ovarium met de grootste diameter het meest belangrijk. Is dat ovarium hard en niet groter dan een erwt, dan heeft men te maken met een koe met inactieve ovaria. Is het grootste ovarium ongeveer zo groot als een zaad uit een tuinboonpeul, dan heeft men te maken met een normaal actief ovarium, waarop juist op dat moment in de vruchtbaarheidscyclus van de koe de normale structuren nauwelijks prominent aanwezig zijn. Treft men op het ovarium een structuur aan die aan een met vocht gevulde blaar doet denken, dan is er een follikel op dat ovarium aanwezig. Is het ovarium iets groter, namelijk ongeveer zo groot als een tamme kastanje, dan heeft men te maken met een actief ovarium waarop hetzij een jong, hetzij een oud Corpus Luteum (afgekort als: CL) aanwezig is. Is dat ovarium ongeveer zo groot als een walnoot, dan heeft men te maken met een actief ovarium waarop een of meer grote follikels en/of een of meer grote Corpora Lutea voorkomen (het actieve ovarium heeft dan de volgende, gemiddelde afmetingen: 35x25x15mm). Is het ovarium nog iets groter, namelijk ongeveer zo groot als een mandarijn, dan heeft men allicht te maken met een afwijkend ovarium. Is het ovarium na de tochtigheid kleiner in omvang dan een walnoot, dan heeft de ovulatie allicht reeds plaatsgevonden. Het ovarium doet zich na de ovulatie namelijk voor als een ingeklapte structuur en de ovulatieplaats voelt dan aan als een delletje. Het slijm, wat eventueel via het vestibulum van de koe naar buiten komt, heeft dan niet meer het voor cervixslijm zo typerende dradentrekkende karakter.

Aan de grootte van het ovarium kan men al met al vrij betrouwbaar aflezen wat voor soort structuren zich op dat ovarium zouden kunnen bevinden. Om nu vervolgens een beeld te krijgen van het stadium van de bronstcyclus waarin de koe zich op dat moment bevindt, moet men zich realiseren dat een koe niet tochtig kan zijn als er zich een jong (zacht; vlezig) CL op de ovaria bevindt. Ook wanneer er tegelijkertijd met het CL sprake is van een geprononceerde follikel. Deze laatste situatie doet zich voor tijdens de zogenaamde tussentocht. De tussentocht is de schijnbare tochtigheid op de elfde dag (ofwel D11) van de bronstcyclus. (Let wel: de eerste dag van de bronstcyclus is de dag waarop de ovulatie heeft plaats gevonden van de eicel die in de voorgaande bronstcyclus is gerijpt).

Het CL ontwikkelt zich snel vanaf dag 3 (D3) van de bronstcyclus . Dit gaat door tot aan D12. Vanaf D12 tot aan de D16 blijft deze relatief constant. Waarna deze (bij een niet-drachtige koe) binnen een paar dagen, onder invloed van het hormoon prostaglandine uit het endometrium, volledig in regressie gaat. Hierna ontwikkelt de dominante follikel zich tot een rijpe follikel. Deze rijpe follikel produceert vervolgens het hormoon oestradiol, hetgeen op D21 (D21 van de eerste cyclus is Dag 0 van de volgende cyclus) tot de bronst van de koe leidt. Op dat moment zou men op het grootste ovarium onmiskenbaar een relatief grote blaarachtige structuur moeten aantreffen. Die betreffende blaarachtige structuur is dan de dominante follikel waaruit op D1, bij de ovulatie, het ovum vandaan zal komen. Op Dag 0 is de follikel normaliter nog vrij stevig en ze voelt dan glad aan. Een dag later zal deze echter normaliter opmerkelijk veel zachter aanvoelen, en de contouren van de follikel zullen dan ook veel minder scherp gevoeld kunnen gaan worden dan op Dag 0 normaliter het geval is. Met name op D1 is het gevaar van een geforceerde ovulatie zo groot, dat men als inseminator bij een normaal tochtige koe het ovarium dan beslist niet zal moeten gaan palperen. (De dominante follikel heeft voorafgaande aan de ovulatie een diameter van gemiddeld 15 - 20 mm. Als die follikel groter is dan 25 mm en veel te zacht, moet men er rekening mee houden dat men met een cyste te maken heeft).

Op bedrijven waarop de bevruchtingsresultaten van de koeien laag zijn, gaan de veehouders er vaak toe over om de koeien tijdens de bronst een injectie te geven met synthetisch gonadoreline dat in de handel wordt gebracht onder de merknaam Conceptyl. Gonadoreline bevordert de ovulatie. Koeien met een verlate ovulatie zullen na toediening van dit middel relatief meer kans maken om drachtig te worden. Maar vanzelfsprekend heeft dit middel alleen een positieve invloed op de vruchtbaarheid als de oorzaak van de eventuele bevruchtingsproblemen ook werkelijk gelegen is in het frequent voorkomen op het bedrijf van een verlate ovulatie bij de koeien. Het lukraak toedienen van dit middel aan koeien met vruchtbaarheidsproblemen is niet erg effectief. Dit komt omdat de oorzaken van vruchtbaarheidsproblemen zo enorm divers zijn. Maar als de van een tochtige koe afkomende slijmsliert nog opvallend dik is, zou men kunnen gaan vermoeden dat men met een koe te maken heeft waarbij de ovulatie op een verlaat tijdstip zal plaatsvinden. Als men een dergelijke koe op dat moment met een ovulatiebevorderend middel zou gaan inspuiten, zou men weleens een duidelijker positief effect kunnen gaan bereiken.

Op de eerste dag van de volgende bronstcyclus (weer: D1) vindt de ovulatie plaats uit de follikel die in de vorige bronstcyclus tot rijping is gekomen. De tweede dag van de nieuwe bronstcyclus (D2) is herkenbaar aan het feit dat men het dier dan mogelijk zal kunnen zien afbloeden. Op D3 begint vervolgens weer de ontwikkeling van een nieuw CL, hetgeen op D4 vervolgens aan het jonge corpus hemorrhagicum (afgekort: CH) herkenbaar is. Bij palpatie van het ovarium wordt men dan een typerend knisterend (knetterend) gevoel ("het natte sneeuwgevoel") en de zachte consistentie van het CH gewaar. Het CH moet men overigens niet verwarren met de indeuking die men kort na de ovulatie op het ovarium gewaar kan worden. Men voelt in die laatst genoemde situatie op de plaats van de ovulatie slechts de onregelmatig gevormde rand van de indeuking waaruit de eicel afkomstig is. De indeuking op de ovulatieplaats in het ovarium en de typerende zachte consistentie op de plaats van het Corpus Hemorrhagium in het ovarium moet men ook niet gaan verwarren met de holte die men soms op een Corpus Luteum gewaar kan worden. Een dergelijke holte op het CL is betrekkelijk normaal en van weinig betekenis voor de vruchtbaarheid van de koe.

Is het ovarium ruw, zonder duidelijk uitstekende structuren, dan is deze in rust. Is het ovarium ruw, met een lichte verhevenheid die glad aanvoelt, dan ontwikkelt zich daarop een follikel. Is die verhevenheid glad en duidelijk geprononceerd aanwezig en voelt men er fluctuatie in, dan is er sprake van een rijpe follikel. Is het ovarium ruw, maar met een vrij duidelijke indeuking, dan heeft de ovulatie pas kort geleden plaatsgevonden. Is het ovarium ruw, maar met een lichte verhevenheid die niet glad aanvoelt, dan is zich daar een nieuw CL aan het ontwikkelen. Voelt men op dat CL een uitstekende en beweeglijke pluim, dan wordt het CL al wat groter. Is het CL groter dan het halve ovarium en is er een kop op aanwezig, dan is het CL in de bronstcyclus van de koe maximaal ontwikkeld (2,5 cm). Het CL spurium kan midcyclisch duidelijk boven het oppervlak van het ovarium uitsteken. Is er op het ovarium een CL aanwezig met een ingezakte kop, dan is het CL in de fase van regressie aangekomen.

Als er een actief CL op het ovarium aanwezig is, herkent men deze nogal eens aan de zo karakteristieke paddestoel-vormige pluim die er soms op aanwezig is. Als men bij het palperen van het ovarium alleen de bovenkant van de kop van dat CL zou voelen, zou men kunnen veronderstellen met een follikel van doen te hebben. In die veronderstelling zal men dan gauw geneigd zijn niet verder te gaan met het onderzoek, om te voorkomen dat men een ovulatie zou gaan forceren. Maar let wel: in dit geval zal men geen fluctuatie waarnemen, zoals bij een follikel wel het geval is. Aan de hand daarvan kan men de bovenkop van een CL gemakkelijk discrimineren van een follikel. Een CL van een drachtige koe voelt glad aan, maar het CL van een niet-drachtige koe voelt eerder wat ruw aan. Ook dat gegeven kan bijtijds een alarmbelletje doen rinkelen. Daardoor zal men zich gaan realiseren dat men toch echt niet met met een follikel van doen heeft.

Komt op het ovarium een follikel voor die pre-ovulatoir groter is dan 25 mm, dan heeft men te maken met een cysteuze ovariële follikel (kortweg: COF). Een follikel van die afwijkende grootte, noemt men een cyste. Een dergelijke cyste is niet alleen groter dan een normale follikel, maar ook zachter (Nota Bene: de laatste uren voor de eisprong is de follikel ook opmerkelijk zacht). Er kunnen nog meer cystes op het ovarium voorkomen. Ook op het andere ovarium kunnen tegelijkertijd een of meer cystes voorkomen. Cystes veroorzaken bepaalde vruchtbaarheidsproblemen bij de koe. Meestal worden de koeien, waarbij een cyste op een ovarium voorkomt, in het geheel niet tochtig. Er is dan sprake van een geluteïniseerde cyste Maar soms worden ze juist ook te vaak of onregelmatig tochtig. In dat geval is er sprake van een folliculaire cyste (een COF). Treft men een ovarium aan wat vrijwel geheel met (kleine) cystes is overwoekerd, dan is er bij die koe sprake van het polycysteus-ovariumsyndroom. Die koe is blazig, zegt men dan. Er bevinden zich dan meerdere (kleine) cystes op het ovarium, waarin de eicellen niet goed hebben kunnen groeien. Er vindt dan geen, of slechts heel onregelmatig, een ovulatie plaats. Het ovarium is dan ontaard en het voelt veel groter aan dan anders. Dergelijke koeien zijn sterk verminderd vruchtbaar, maar na een hormoonbehandeling door een veterinair, kunnen ze wel alsnog normaal vruchtbaar worden.

Het kan ook zijn dat er een persisterend CL op de ovaria voorkomt. De koe zou dan drachtig kunnen zijn. Maar er kan dan ook sprake zijn van een gestorven, maar nog niet afgedreven vrucht. Er kan mummificatie (steenvrucht), of maceratie, van de vrucht zijn opgetreden. En het kan dan zijn dat er pus in de afgesloten uterus is opgehoopt. Bij koeien met een CL zal, zolang dit intact blijft, geen bronst optreden. Een inseminator wordt, tijdens het uitvoeren van zijn werk, door de omvang van het ovarium (met de er op aanwezige structuren) vaak geattendeerd op het feit dat er iets bijzonders met de koe aan de hand is. Een grotere omvang van het ovarium zal een aanwijzing kunnen zijn voor de aanwezigheid van een persisterend CL. Maar let op: het kan ook zijn dat er dan op het ovarium een grote cyste aanwezig is, of dat er dan juist meerdere kleine cystes op aanwezig zijn (het polycysteus-ovariumsyndroom).

In het verleden werden cysteuze ovariële follikels (COF-cystes) wel eens therapeutisch kapot geknepen. Tegenwoordig doet men dat liever niet meer (cave mechanisch trauma ovarium). Bij het kapot knijpen van een dergelijke vermeende cyste kunnen bloedingen en verklevingen in de buik van de koe ontstaan. Die intra-abdominale bloedingen kunnen tot gevolg hebben dat het dier dood gaat door verbloeding (CL-bloeding). En in het minder ernstige geval dat de mechanisch geforceerde CL-ruptuur niet tot de dood van het dier leidt, zal dit voorval nog wel een ander dodelijk gevolg kunnen hebben. Namelijk in het geval dat de betreffende ruptuur plaats vindt bij een drachtig dier wat nog niet al te lang drachtig is. Het geruptureerde corpus luteum graviditatum zal op dat vroege moment in de dracht van de koe tot de dood van de jonge vrucht kunnen leiden. Bij het palperen van de ovaria moet men dus niet in cystes gaan knijpen. Ook moet men trachten te voorkomen dat men bij het palperen van de ovaria een ovulatie forceert. Na een geforceerde ovulatie blijkt de koe, na inseminatie, vrijwel nooit drachtig te worden. Dit komt zeer waarschijnlijk omdat de eicel dan meestal niet door het infundibulum tubae uterinae wordt opgevangen. Bovendien is er dan een grotere kans op een extra-uteriene graviditeit . Met alle vervelende gevolgen van dien. Bij accidentele beroering van het infundibulum zal men overigens ook rekening moeten houden met de hiervoor genoemde gevolgen van een geforceerde ovulatie.

Treft men bij de koe een ovarium aan dat opgezwollen is door een op dat ovarium voorkomende ontsteking (een oöphoritis), dan zal men de inseminatie beter achterwege kunnen laten. Als er zich een ontsteking aan een ovarium van de koe voordoet, is er dikwijls eveneens sprake van een ontsteking aan een der tubae uterinae (salpingitis). Als inseminator zal men er in een dergelijk geval goed aan doen de veehouder van het een en ander op de hoogte te brengen, zodat deze voor die koe een consult van de veterinair dierenarts zou kunnen gaan aanvragen.

Wat het palperen van de ovaria betreft, doemt zich de vraag op of het wel zo verstandig is dat een inseminator deze kunst tot in alle finesses verstaat en/of dat hij zeer regelmatig bij het uitoefenen van zijn professie hier toe overgaat. Er zijn hier immers nogal wat nadelen aan verbonden. Bij het insemineren van koeien is het uitgangspunt, dat er zoveel mogelijk alleen inseminaties dienen te worden uitgevoerd bij koeien die goed tochtig zijn en die bovendien ook goed gezond zijn. De veehouder die de inseminatie voor de betreffende koe aanvraagt, zal er op dienen toe te zien dat aan deze voorwaarden wordt voldaan, want alleen dan is er kans op bevredigende bevruchtingsresultaten voor de veehouder. Maar in de dagelijkse praktijk schort er nogal eens iets aan de uitvoering van dit voornemen. Als inseminator komt men er dan ook niet omheen om zo nu en dan eens via palpatie van de ovaria te controleren of de koe wel werkelijk tochtig is. Voor een inseminator is het een hele kunst om dat op een voldoend betrouwbare wijze te checken. Per slot van rekening wordt in de opleiding van een inseminator veel minder aandacht aan de kunst van het palperen van de ovaria besteed, dan hieraan tegenwoordig in de opleiding van veterinair wordt besteed. Oudere inseminatoren herinneren zich de tijd nog goed waarin er ook in de veterinaire opleiding te weinig aandacht aan de kunst van het palperen van de ovaria, en het op een juiste wijze interpreteren van de bevindingen, werd besteed. En zij herinneren zich ongetwijfeld ook nog wel hoe vaak het toen relatief gesproken voorkwam dat er daardoor foutieve diagnoses werden gesteld. De veterinaire opleiding is daarin nu erg veel verbeterd. Dat is een goede zaak.

Zolang de opleiding van inseminatoren wat dit betreft inferieur is aan de opleiding van de veterinairen, zullen inseminatoren er dan ook beter aan doen om de laatsten hierin niet te beconcurreren. Op de vele verzoeken van veehouders aan de inseminator om via palpatie van de ovaria te onderzoeken wat er met betrekking tot de vruchtbaarheid van bepaalde koeien aan de hand is, zal men als inseminator daarom beslist niet moeten ingaan. Dit om te voorkomen dat men als inseminator te vaak een onjuiste bevinding aan de veehouders kenbaar zou maken.


Wilt u meer informatie over rundvee-inseminatie en de vruchtbaarheidsproblematiek? Klik dan HIER voor het openen van de site www.ybema.org